Details
390 p. : ill.
Besprekingen
De Standaard
Joris Van Severen (1894-1940) ontmoette zijn laatste grote liefde tijdens een lunch. Het was november 1936, en Robert Leurquin, journalist voor Le Vingtième Siècle - het katholieke dagblad waarvoor ook Hergé werkte - had hem thuis in Elsene uitgenodigd. De leider van de autoritaire, fascistische beweging Verbond van Dietsche Nationaalsolidaristen (Verdinaso) was op Leurquins radar gekomen omdat hij aansluiting zocht bij de Franstalige reactionaire kringen.
Maar daar in Elsene ging Leurquins echtgenote Rachel Baes met Van Severens aandacht lopen, een “elegante, ietwat excentrieke dame met gitzwart haar en hemelsblauwe ogen”. De fascistische leider en zij, een kunstenares, vielen als een blok voor elkaar. Zij was 24, hij 42 en een rokkenjager. “Als hij alleen wilde slapen, moest hij zich verstoppen”, luidt de boutade.
De romance liep niet van een leien dakje. Van Severen schreef hartstochtelijke brieven, maar bij elke ontmoeting gedroeg hij zich als een “koele kikker”, vond zij. Bovendien zette hij zijn zoektocht naar een “perfect samenspel van lichamelijke en geestelijke liefde” onverminderd voort, een monogame relatie zat er niet in. Toen Leurquin in 1938 lucht kreeg van de affaire en zijn vrouw dwong te kiezen, kreeg ze een zenuwinzinking.
Tuk op luxe
Maar in 1939 hervatten Baes en Van Severen hun relatie, en in augustus van dat jaar ging hij, die een hekel had aan reizen, zelfs drie dagen met haar naar Parijs. Hij was er voor het eerst in lange tijd rustig, gelukkig zelfs. Luttele maanden later was hij dood, vermoord door paniekerige Franse soldaten nadat hij in mei 1940 was weggevoerd als deel van een groep willekeurig geselecteerde “vijandige Belgen en buitenlanders”.
Dat dramatische einde heeft de mythe rond de 'eerste fascist van Vlaanderen' flink gevoed. Maar Van Severen was ook een van de interessantste politici uit het interbellum. Een stugge, elitaire en autoritaire leider, fascistisch en antisemitisch, maar ook een fijnbesnaarde dromer en een intellectueel. En een levenskunstenaar: dandyesk, geparfumeerd (na zijn dood rook zijn appartement nog naar Knize Ten, zei Baes) en tuk op luxe.
Christian de Borchgrave doet al die en nog meer details uit de doeken in zijn doorwrochte biografie Joris Van Severen. Van katholiek naar fascist. Daarin beschrijft hij - de ondertitel zegt het al - hoe Van Severens ultramontaanse, radicale katholicisme plaatsmaakte voor een meer wereldse benadering. Dat hij een dandy in de dop was, speelde een belangrijke rol in de geloofscrisis waarmee hij kampte. In zijn oorlogsdagboeken - waar zijn gevoelsleven het oorlogsgebulder overstemt - is te lezen hoe Van Severens verlangens botsen met de strenge katholieke voorschriften. “Lust trekt me hevig aan, ik voel het kwaad der zonde niet”, noteerde hij.
Over Van Severen zijn boekenkasten volgeschreven, maar het duurde jaren eer glorificatie vervangen werd door kritische zin. Bij De Borchgrave is die kritische houding er. Hij onderzoekt zijn onderwerp met een open blik en levert wetenschappelijk onberispelijk werk af. Voor speculaties over de vraag of Van Severen al dan niet in de collaboratie zou zijn beland, haalt hij zijn neus op. Wel zoekt de auteur uit hoe de “kleine man met een grote uitstraling” radicaliseerde tot fascist. Gepokt en gemazeld in de religieuze geschiedenis besteedt hij veel, eigenlijk te veel aandacht aan de katholieke auteurs bij wie Van Severen zijn solidaristische en corporatistische denken haalde.
Van Severen, geboren in het West-Vlaamse Wakken, stamde niet uit een flamingantisch, maar wel uit een Vlaamsvoelend milieu. Hij begon te radicaliseren toen hij studeerde aan het Sint-Barbaracollege in Gent, aangemoedigd door flamingantische leraren, maar vooral gedreven door de minachting van de Gentse franskiljons. Zijn engagement bij de Frontbeweging, die zich tijdens de Eerste Wereldoorlog verzette tegen het taalbeleid in het Belgische leger, was een logisch gevolg. Daarvoor werd hij ook gedegradeerd.
Belgicistisch
De horror van WO I maakte de revolutionair in hem los. Het “oude verrotte Europa” moest nieuw leven worden ingeblazen. Boekenwurm Van Severen droomde van een literaire carrière die een maatschappelijke en godsdienstige revolutie zou ontketenen.
Het was dus eerder toevallig dat hij in de politiek belandde. In 1921 werd Van Severen verkozen als Kamerlid voor de uit de Frontbeweging voortgevloeide nationalistische Frontpartij. De Leuvense historicus Lode Wils omschreef Van Severen ooit treffend als een “aristocraat, verdwaald in de politiek”. Maar met zijn zogenoemde “brandrede”, een radicaal anti-Belgische toespraak, slaagde hij er in 1928 wel in de Kamer op stelten te zetten.
De Mars op Rome van de Italiaanse fascistische leider Benito Mussolini (1922) inspireerde Van Severen, maar het geflirt met het fascisme verdeelde de Frontpartij. Toen hij in 1929 zijn zetel verloor, was een breuk onvermijdelijk. Van Severen reageerde met de oprichting van het Verdinaso. Als beweging (en dus geen partij) surfte het Verdinaso niet mee op het electorale succes van extreemrechts van het Vlaams Nationaal Verbond (VNV) en Rex in 1936. Met amper drieduizend leden bleef de toeloop ook mager.
Gaandeweg duwde Van Severen zijn Verdinaso in de belgicistische richting, in de hoop de Franstalige, reactionaire adel te verleiden. Zo kwam hij dus ook bij Leurquin - en Baes - terecht. Van Severen werd salonfähig en pleitte voor een koninklijke staatsgreep (in de hoop dat de toenmalige koning Leopold III hem als leider zou aanstellen). Na de Kristallnacht (1938), de 'spontane' actie waarbij nazistische stormtroepen in Duitsland en Oostenrijk op straat kwamen om synagoges in brand te steken en de ruiten van Joodse winkels in te gooien, wees hij het nazi-etiket resoluut af: van rassenideologie kon geen sprake zijn, al waren Joden voor Van Severen “volksvreemde elementen” die uit de “volksgemeenschap” moesten worden verwijderd.
Hoe Van Severen kort daarna aan zijn einde kwam, is bekend, maar wat gebeurde er met Baes? De Borchgrave vermeldt alleen dat ze de man van haar leven 43 jaar zou overleven. Na de oorlog bouwde ze aan haar schilderscarrière. Ze trok naar Parijs, waar ze onder meer Pablo Picasso en Jean Cocteau leerde kennen. Enkele van haar werken haalden de tentoonstelling naar aanleiding van honderd jaar surrealisme in Bozar (2024). Uiteindelijk keerde ze terug naar Brugge, waar ze de herinneringen aan haar minnaar savoureerde. Bij Van Severens vader haalde ze de brieven op die ze hem ooit stuurde, en gaf die aan een Antwerps archief. Ze zijn raadpleegbaar vanaf 2033.